![]() |
| De trappers gleden als een geoliede machine |
De transactie was snel beklonken; de verkoper maakte de fiets rijklaar en snoerde de fietstas met de naar leer geurende riempjes vast aan de bagagedrager. Bij het thuiskomen 'smokkelden' we de fiets snel de schuur in. Ik keek om het hoekje van de deur en gluurde naar mijn moeder, zonnebadend op haar stretcher, verzonken in een middagdutje, haar benen glimmend van de zonnebrandolie. In het gazon madeliefjes als een krans er om heen. Mijn vader reed er altijd met zijn grasmaaier bewust aan voorbij om zo een natuurlijk kleedje te creëren. De wind verlegde een haarlok en de zon deed haar zomersproeten talrijker worden. Een merel landde in de bloeiende rozenstruik met zijn oranje snaveltje prominent voor zich uit stekend. De tak zwiepte even zachtjes op en neer. Rozenblaadjes dwarrelden naar beneden en kwamen op haar been terecht. Had ik het goed gezien? Keek de vogel met zijn zwarte kraaloogjes onze kant op?
Melodieus gezang volgde. Alsof hij haar wakker wilde maken. Alsof hij ons geheim wilde verklappen. Maar ze sliep rustig door. De hoofdjes van de madeliefjes bewogen zacht in de wind, bijna op het ritme van haar ademhaling.
Ik draaide me om en mijn vader knipoogde naar mij alsof hij ons geheim wilde bekrachtigen. Ze kon nu niet anders dan overstag gaan. Er was geen weg meer terug. ,,Iedereen kan met mij alle kanten op, maar met jou sla ik de allerbeste weg in,'' gebruikte hij altijd als oneliner tussen ons. We hadden dan ook een vader-dochter relatie met een stevig fundament. Waarbij woorden vaak overbodig waren maar één blik, of een betekenisvolle zin, al veelzeggend was. Op dat moment hoorden we geritsel. We keken allebei om. Ons gestreept tijgertje keek ons vragend aan en schuurde met haar lichaam tegen mijn been, terwijl haar ruggetje licht kromde en haar staart zich krulde.
Al snel naderde het nieuwe schoolseizoen en reed ik op mijn nieuwe fiets met mijn boekentas ermee naar school. Elke dag door weer en wind. Hagel ketste in mijn gezicht als scherp steengruis terwijl ik knokte tegen de harde stormwind die mij richting sloot dirigeerde. Maar deze stalen ros hield mij overeind. Jarenlang bewees hij mij goede diensten totdat ik mijn rijbewijs haalde. De fiets verdween definitief in de schuur. Wegdoen? Nee. Dat nooit! Oude herinneringen zaten als een stuk modder er aan vastgeplakt.
Terwijl ik het beduimelde briefje met het adres in mijn hand vastgeklemd hield, kromde mijn andere hand zich krampachtig om het stuur. Alsof ik niet meer los wilde laten. Het zachte suizen van de fiets als het ruisen van de zee zorgden voor nog meer twijfels. De angst voor het afscheid groeide met de minuut. Mijn hart bonkte tegen mijn ribbenkast terwijl zweetdruppels op mijn voorhoofd parelden. Het fietspad vloeide langzaam over in een smal langweggetje. Een groen hekwerk wees mij de weg naar links. In de verte een oud huis met kozijnen waar de verf vanaf krulde. Ervoor een lading fietsen opeengepakt als stukken oud vuil. Ik bolde langzaam uit op het terrein van de fietsenkarkassen. Een man met grote zwarte laarzen trapte er tegenaan. De fietsen kraakten. Was dit zijn definitieve lot? Moest hij hier tussen staan? Als een afgedankt voorwerp? Waarom moest mijn oude brik eigenlijk weg? Als ik thuis goed rondkeek had ik er vast nog ergens een plaatsje voor.
De man keek mij vragend aan. Ik stamelde nog wat maar draaide met mijn stuur al de andere kant op. Ik hobbelde scheef weg over het oneffen pad, brandnetels brandden langs mijn benen. Maar dat gaf mij nog eens een extra boost en ik reed keihard van het fietsenkerkhof af…deze fiets ging weer mooi terug naar huis! Hij verdiende een keurig plaatsje onder zijn vertrouwde wollen dekentje. Hij moest eerst maar eens opgepoetst worden. En daarna? Ach ja, over 30 jaar zie ik wel weer…


